Op 4 juni 1881 werd de Loge La Flandre opgericht. De installatie vond plaats in een zijkamer van het groot herenhuis van notaris Hippolyte Van Sieleghem, gelegen op de hoek van de Twijnstraat en de Kelkstraat. De hoofdingang van het herenhuis was in de Twijnstraat 6 maar de leden van La Flandre maakten gebruik van een zij-ingang in de Kelkstraat.
In 1885 verhuisde de loge naar de woning van majoor Jean-François De Coninck (1839-1904) in de Riddersstraat 18. Deze militair op rust en oud-plaatscommandant van Brugge, was in 1881 stichtend lid van La Flandre. Van 1885 tot 1901 zou men gastvrijheid genieten in zijn grote woning. De woning moet tamelijk ruim geweest zijn want op 27 juni 1902 verkreeg hij van het Brugse stadsbestuur toelating om het huis in de Riddersstraat 18 te laten afbreken en door drie nieuwe woningen te vervangen, nu de huisnummers 20, 23 en 24. La Flandre was dus verplicht om andermaal uit te zien naar een nieuwe locatie. Het waren de industriëlen Honoré De Swarte (1869-1926) en Alfred de Brouckère (1873-1948), beiden lid van La Flandre, die op 30 maart 1901 op een openbare veiling het onroerend goed kochten gelegen aan de Beenhouwersstraat 2.

Sinds 1707 was hier een blauwververij gevestigd. In de staat van goederen van eigenaar Lucas van Loo uit 1742 lezen we “een notable huys ende erfve, wesende eene blauwververie, aan den voet van de Sloterbrugghe”. De gevel aan de straatzijde dateert uit de 16de eeuw; het bijgebouw langs het water heeft een 17de eeuwse trapgevel. De andere bijgebouwen dateren uit de 18de eeuw. Met een brouwerij als overbuur diende het water uit de Speelmansrei dus zowel om textiel te verven als om bier te brouwen !
Het pand ligt op wandelafstand van het station (dat toen nog op ‘t Zand lag) wat zeer voordelig was. Het werd onmiddellijk verbouwd. Het was immers urgent om een deftig onderkomen te vinden voor La Flandre. De bouwaanvraag – ingediend op 26 augustus 1901 – vermeldt de oprichting van “feestzalen” en “inwendige veranderingen”. Ernest Callebout, architect en beeldhouwer te Brugge, ontwerpt een banketzaal en een Tempel, om in de tuin van het gekochte gebouw opgericht te worden. In 1903 wordt het terrein een grote bouwwerf. Slechts op 21 september 1911 is de ruwbouw van het tempelcomplex klaar. Dit hoge bakstenen gebouw werd officieel ingehuldigd op 17 november 1912.
In het begin van de 20ste eeuw is er bij de maçonnieke tempelbouw sprake van een “Egyptomanie”. De Brugse Tempel van La Flandre is dan ook te vergelijken met de “neo-Egypische” Tempels te Brussel – Peterseliestraat (1879) en Lakensestraat (1910) – maar de “versiering” is veel eenvoudiger. In onze Tempel zijn Egyptische, Hebreeuwse en Maçonnieke elementen terug te vinden.

Wanneer in augustus 1914 de Duitsers België binnenvallen, hebben het Grootoosten van België en de toen bestaande 24 Belgische Loges hun werkzaamheden in de zomermaanden onderbroken. La Flandre stelt haar lokalen ter beschikking om er een noodhospitaal (“ambulance”) te installeren. Maar bij het ontstaan van het IJzerfront verbieden de Duitsers dergelijke burgerlijke veldposten in het bezette gedeelte van het land. Op 17 juni 1919 herneemt La Flandre, in een onbeschadigd Tempelgebouw, haar werkzaamheden.

In de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) werd bij Duitse verordening van 20 augustus 1941 de vrijmetselarij in ons land verboden en de bezittingen verbeurd verklaard. Reeds voordien, op 29 mei 1940, deed de “Geheime Feldpolizei” een inval in onze gebouwen. Ze eisten de ledenlijsten en namen meubilair en zilverwerk mee. Onze logegebouwen werden opengesteld voor het publiek met een anti-maçonnieke tentoonstelling van 8 tot 22 februari 1942.
Vanaf 1 maart 1943 installeerde de “Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap“ (DeVlag) haar kantoor in de gebouwen van La Flandre. DeVlag bleef er tot 2 dagen voor de bevrijding van Brugge. In de tempellokalen zelf is alle meubilair verdwenen en ook het materiaal uit de keuken is meegenomen; zelfs de nutsleidingen zijn vernield. Ook werden 9 olieverfschilderijen ontvreemd met portretten van Achtbare Meesters (voorzitters) die tot op heden nooit werden teruggevonden. Dankzij milde giften van enkele leden kan de vzw La Flandre eind 1944 – begin 1945, de schade aan het gebouw herstellen en vanaf 3 maart 1945 is de Tempel opnieuw te gebruiken.
Het gebouw in de Beenhouwersstraat werd verschillende malen gerestaureerd. Een eerste restauratie vond, zoals gezegd, plaats net na de Tweede Wereldoorlog. Het huidige meubilair is ontworpen door de graficus André Vlaanderen en vervaardigd door meubelfabrikant Georges Van Waefelghem in 1945. In 1963 vindt een meer ingrijpende renovatie van de Tempel plaats. Wanneer in de jaren ‘80 het deel palend aan de speelmansrei in het water dreigt te zakken (door grondverzakkingen) zijn ingrijpender werkzaamheden nodig. In juli 1992 worden de werken beëindigd. In het zelfde jaar wordt de Tempel geklasseerd “omwille van de zeldzame uiting van neo-Egyptische maçonnieke tempels in Vlaanderen / neo-Egytische stijl in de stad Brugge” (verslag Administratie Monumenten en Landschappen). Het gebouw zelf was reeds sinds 1983 geklasseerd.

